Vijf vragen over lage fokwaarden beenwerk buitenlandse stieren


Gerben de Jong: ‘Het genetisch niveau voor het kenmerk beengebruik ligt in Nederland en Vlaanderen een stuk hoger dan in andere landen. Bij een aantal landen scheelt dat al gauw drie punten fokwaarde’
maandag, 17 januari, 2022

Bij de meest recente indexdraai van Interbull viel het opnieuw op dat internationale stieren relatief laag scoren op het kenmerk beenwerk.

Hiervoor blijken verschillende verklaringen te zijn. Gerben de Jong, hoofd van de Animal Evaluation Unit (AEU) van Coöperatie CRV die de fokwaardeschatting in Nederland en Vlaanderen verzorgt, geeft tekst en uitleg.

Er lijkt relatief weinig spreiding te zijn in de fokwaarden voor benen van internationale stieren. Klopt dit?

‘Ja. Interbull rekent de cijfers van stieren met dochters in het buitenland om naar de Nederlands/Vlaamse basis. Bij deze omrekening wordt de spreiding in beenwerkcijfers van internationale stieren richting het gemiddelde gebracht. Dit wordt name zichtbaar in minder uitschieters, zowel naar boven als naar beneden.’

Wat is de verklaring voor de beperkte spreiding?

‘De omrekeningsformules die Interbull gebruikt, zijn gebaseerd op informatie van stieren die zowel in hun thuisland als in Nederland en Vlaanderen dochters hebben met een score voor beenkenmerken in de onderbalk, zoals beengebruik. Dat zijn inmiddels duizenden stieren. Uit deze informatie blijkt dat de correlatie (samenhang) tussen de fokwaarden in het buitenland en die in Nederland/Vlaanderen relatief laag is. Voor de meeste exterieurkenmerken is de correlatie rond de 90 procent. Voor beengebruik is dat bijvoorbeeld ongeveer 80 procent. Daardoor is Interbull relatief voorzichtig als het gaat om de omrekening van hoge en lage fokwaarden voor beenkenmerken in de onderbalk. Vanuit de omgerekende onderbalkkenmerken wordt vervolgens de fokwaarde beenwerk in de bovenbalk berekend.’

Wat verklaart de relatief lage correlatie tussen de fokwaarden voor benen  in verschillende landen?

‘Dit heeft met name te maken met de berekening van de fokwaarde voor beenwerk uit onderbalkkenmerken. De formule hiervoor is in alle landen anders. In Nederland/Vlaanderen weegt de score voor beengebruik bijvoorbeeld zwaarder mee en wordt rekening gehouden met stand benen in zijaanzicht om te voorkomen dat benen te recht worden.’

Spelen verschillen in houderijomstandigheden tussen landen ook nog een rol?

‘Dat speelt zeker ook een rol. Of koeien weidegang krijgen of altijd op een betonvloer lopen, of ze in ligboxenstallen worden gehouden of in potstallen; het heeft allemaal invloed op de eisen die worden gesteld aan het beenwerk. Hier blijkt sprake te zijn van interactie tussen genotype en milieu. Als dochters van een stier goed functioneren in het ene systeem wil dat nog niet automatisch zeggen dat ze ook goed functioneren in het andere systeem. We zien hierbij grotere invloed op kenmerken als beengebruik en klauwhoek. De kenmerken beenstand in zijaanzicht en beenstand in achteraaanzicht komen meer overeen.’

Als lagere beenwerkfokwaarden voor buitenlandse stieren alleen te maken zouden hebben met omrekening, zouden de verschillen weg moeten vallen met het beschikbaar komen van informatie van Nederlandse en Vlaamse dochters. Als we kijken naar de cijfers, lijkt dat niet zo te zijn. Is dat juist?

‘Dochters van buitenlandse stieren blijken in de Nederlandse en Vlaamse praktijk gemiddeld inderdaad minder goed te scoren op beenwerk dan dochters van Nederlands/Vlaamse stieren. Dit heeft vooral te maken met het feit dat Nederlands en Vlaamse veehouders in hun fokdoel meer belang hechten aan beengebruik dan veehouders in andere landen. De score voor dit onderbalkkenmerk telt dan ook zwaar mee in de berekening van het bovenbalkkenmerk beenwerk. Bovendien hebben Nederlandse en Vlaamse veehouders al lang en sterk op beengebruik geselecteerd. En het kenmerk is belangrijk in fokprogramma’s voor stieren. Het genetisch niveau voor beengebruik ligt in Nederland en Vlaanderen hierdoor een stuk hoger dan in andere landen.  Dit zien we terug in gemiddeld lagere fokwaarden voor beenwerk in de bovenbalk van buitenlandse stieren. Bij een aantal landen scheelt dat al gauw drie punten fokwaarde.’

 


11 reacties

Gerben de Jong: ‘Het genetisch niveau voor het kenmerk beengebruik ligt in Nederland en Vlaanderen een stuk hoger dan in andere landen. Bij een aantal landen scheelt dat al gauw drie punten fokwaarde’
maandag, 17 januari, 2022

Bij de meest recente indexdraai van Interbull viel het opnieuw op dat internationale stieren relatief laag scoren op het kenmerk beenwerk.

Hiervoor blijken verschillende verklaringen te zijn. Gerben de Jong, hoofd van de Animal Evaluation Unit (AEU) van Coöperatie CRV die de fokwaardeschatting in Nederland en Vlaanderen verzorgt, geeft tekst en uitleg.

Er lijkt relatief weinig spreiding te zijn in de fokwaarden voor benen van internationale stieren. Klopt dit?

‘Ja. Interbull rekent de cijfers van stieren met dochters in het buitenland om naar de Nederlands/Vlaamse basis. Bij deze omrekening wordt de spreiding in beenwerkcijfers van internationale stieren richting het gemiddelde gebracht. Dit wordt name zichtbaar in minder uitschieters, zowel naar boven als naar beneden.’

Wat is de verklaring voor de beperkte spreiding?

‘De omrekeningsformules die Interbull gebruikt, zijn gebaseerd op informatie van stieren die zowel in hun thuisland als in Nederland en Vlaanderen dochters hebben met een score voor beenkenmerken in de onderbalk, zoals beengebruik. Dat zijn inmiddels duizenden stieren. Uit deze informatie blijkt dat de correlatie (samenhang) tussen de fokwaarden in het buitenland en die in Nederland/Vlaanderen relatief laag is. Voor de meeste exterieurkenmerken is de correlatie rond de 90 procent. Voor beengebruik is dat bijvoorbeeld ongeveer 80 procent. Daardoor is Interbull relatief voorzichtig als het gaat om de omrekening van hoge en lage fokwaarden voor beenkenmerken in de onderbalk. Vanuit de omgerekende onderbalkkenmerken wordt vervolgens de fokwaarde beenwerk in de bovenbalk berekend.’

Wat verklaart de relatief lage correlatie tussen de fokwaarden voor benen  in verschillende landen?

‘Dit heeft met name te maken met de berekening van de fokwaarde voor beenwerk uit onderbalkkenmerken. De formule hiervoor is in alle landen anders. In Nederland/Vlaanderen weegt de score voor beengebruik bijvoorbeeld zwaarder mee en wordt rekening gehouden met stand benen in zijaanzicht om te voorkomen dat benen te recht worden.’

Spelen verschillen in houderijomstandigheden tussen landen ook nog een rol?

‘Dat speelt zeker ook een rol. Of koeien weidegang krijgen of altijd op een betonvloer lopen, of ze in ligboxenstallen worden gehouden of in potstallen; het heeft allemaal invloed op de eisen die worden gesteld aan het beenwerk. Hier blijkt sprake te zijn van interactie tussen genotype en milieu. Als dochters van een stier goed functioneren in het ene systeem wil dat nog niet automatisch zeggen dat ze ook goed functioneren in het andere systeem. We zien hierbij grotere invloed op kenmerken als beengebruik en klauwhoek. De kenmerken beenstand in zijaanzicht en beenstand in achteraaanzicht komen meer overeen.’

Als lagere beenwerkfokwaarden voor buitenlandse stieren alleen te maken zouden hebben met omrekening, zouden de verschillen weg moeten vallen met het beschikbaar komen van informatie van Nederlandse en Vlaamse dochters. Als we kijken naar de cijfers, lijkt dat niet zo te zijn. Is dat juist?

‘Dochters van buitenlandse stieren blijken in de Nederlandse en Vlaamse praktijk gemiddeld inderdaad minder goed te scoren op beenwerk dan dochters van Nederlands/Vlaamse stieren. Dit heeft vooral te maken met het feit dat Nederlands en Vlaamse veehouders in hun fokdoel meer belang hechten aan beengebruik dan veehouders in andere landen. De score voor dit onderbalkkenmerk telt dan ook zwaar mee in de berekening van het bovenbalkkenmerk beenwerk. Bovendien hebben Nederlandse en Vlaamse veehouders al lang en sterk op beengebruik geselecteerd. En het kenmerk is belangrijk in fokprogramma’s voor stieren. Het genetisch niveau voor beengebruik ligt in Nederland en Vlaanderen hierdoor een stuk hoger dan in andere landen.  Dit zien we terug in gemiddeld lagere fokwaarden voor beenwerk in de bovenbalk van buitenlandse stieren. Bij een aantal landen scheelt dat al gauw drie punten fokwaarde.’

 

11 reacties


Reacties

CRV probeert in dit verhaal de vreemde omrekening voor de benen-fokwaarde te verdedigen, maar iets wat bewust scheef gerekend wordt, kun je zelfs Gerben niet recht laten praten. Dat gaat echt ten koste van de geloofwaardigheid van het stamboek. Het vertellen van het halve verhaal is niet eerlijk naar de leden toe. CRV vlakt bij de omrekening namelijk eerst de extreme buitenlandse fokwaarden voor benen fors af, om tegenvallers te voorkomen. Vervolgens blazen ze de spreiding van de fokwaarde op om de betere (Nederlandse CRV) benenstieren nóg beter te laten scoren. De vooraf afgevlakte buitenlandse stieren kunnen niet profiteren van deze actie en hebben daardoor geen kans in de paringsadviezen. Chauvinisme is goed, maar dit gaat echt te ver......

De omrekening van buitenlandse stieren wordt gedaan door Interbull. Deze wordt dus niet door AEU van Coöperatie CRV bepaald. De omrekening is gebaseerd op de werkelijke prestaties van dochters van dezelfde stieren in het buitenland en in Nederland/Vlaanderen. Het gaat hier inmiddels om informatie van duizenden stieren. De omgerekende fokwaarden geven dus zo goed mogelijk weer wat Nederlandse en Vlaamse veehouders -de leden van Coöperatie CRV- in de praktijk van het beenwerk van dochters van buitenlandse stieren mogen verwachten.

Het zou CRV-clubblad Veeteelt sieren als ze ook eens de gevolgen voor importeurs en vertegenwoordigers van grote buitenlandse fokkerijorganisaties in Nederland in beeld brengen ipv slager Gerben het vlees te laten keuren. Diezelfde organisaties die nu ook benadeeld worden door voerefficientie om meerdere bekende redenen onterecht in de NVI te verwerken zodat een heel segment hoge merkerstieren geen NVI-berekening meer ontvangen en zo de eindgebruikers worden onthouden. En diezelfde organisaties die uit pure frustratie en machteloosheid met de fokwaarden uit het land van herkomst de eindgebruikers moeten informeren omdat een nette en realistische omrekening op sommige onderdelen waaronder benen niet mogelijk blijkt.

Dat de stieren geen gNVI / gRZG / gICO /gNTM / gPLI etc ontvangen komt omdat de importeurs niet willen betalen voor de omrekening van Amerikaanse fokwaarden door EuroGenomics. kost volgens mij 1600 euro. Dit is ingesteld omdat er voor het omreken van Europese fokwaarden naar Amerikaanse 2000 dollar moet worden betaald aan Holstein Association USA. De berekening wordt beide kanten op wel gedaan alleen wordt er geen indexgetal meer aangehangen, TPI NVI RZG etc.

Door een sperma-importeur 2000 euro per stier aan Coöperatie CRV te laten betalen (voor de Europese bepaling van de genomics), bereikt de coöperatie CRV (stamboek) in de praktijk dat de import van sperma van buitenlandse stieren enorm beperkt wordt. Dit is namelijk onbetaalbaar voor de meeste importeurs! Stieren zonder NVI blijven daardoor buiten beeld en extra moeilijk verkoopbaar. Beduidend minder concurrentie voor de spermaverkopende CRV bv (de commerciële tak) dus. Doe je dan als coöperatie je leden niet tekort, zou je dan denken? Dit vragen velen zich af en daarom wil het er bij veel mensen maar niet in, dat de coöperatie CRV de commerciële partij CRV BV niet dient. De BV en de coöperatie hebben immers al hetzelfde hoofdbestuur en dezelfde bankrekening en nu lijkt het dat ze de handen ook ineen geslagen hebben met het weren van de buitenlandse sperma op de Nederlandse markt. Coöperatie, laat alsjeblieft zien dat jullie er voor de leden zijn en zoek een manier om de buitenlandse stieren zo goed en objectief mogelijk om te rekenen. Maak gebruik van de buitengewoon hoge (80%) betrouwbaarheid van de Amerikaanse genomics en neem ook de US testresultaten van de voerefficiëntie-proeven mee. In Amerika zijn ze daar namelijk al erg ver mee en het zou een verrijking zijn van de kennis die CRV BV in Nederland nu ook aan het vergaren is.

...en dan nog de onzinnige eis om jonge stieren pas vanaf 10 maanden en in het bezit van een KI-code te kunnen testen op merkers, waarmee elk initiatief om de concurrentie aan te gaan de grond in wordt geboord en een gigantisch potentieel aan fokkerijmateriaal op KI of veehouder niveau nooit aan bod komt. Immers wie gaat nou een stiertje aanhouden als pas over 10 maanden een test kan worden genomen en die stier ook nog eerst bij een KI gestald moet worden. Vreemd genoeg geldt dit allemaal niet voor KI Kampen!

Naast beengebruik zijn er meerdere kenmerken in de onderbalk waarvan de correlatie lager is, maar waarvoor niet gecorrigeerd wordt. CRV heeft er echter alle belang bij om de huidige nivellering voor dit kenmerk in stand te houden, waardoor de Nederlandse stieren zich op dit kenmerk kunnen profileren ten koste van de buitenlandse. Wanneer de correlatie voor bepaalde punten lager is, zou men er ook voor kunnen kiezen om de betrouwbaarheid voor deze kenmerken te verlagen en de omrekening van de absolute cijfers ongemoeid te laten. Dan doet men recht aan de cijfers uit het land van origine en is het aan de veehouder zelf om deze cijfers te interpreteren. Evenals in Nederland lopen in het buitenland ook stieren rond die in hun herkomstland gelden als beenspecialisten, terwijl dit door de huidige omrekening niet tot uitdrukking komt.

De lage correlatie tussen de cijfers uit verschillende landen geldt vooral voor de onderbalkkenmerken beengebruik en klauwhoek. Voor beenstand zij en beenstand achter zien we dit niet. Bij het vergelijken van de fokwaarden voor beenwerk speelt ook het verschil in genetisch niveau tussen landen een rol. Een gemiddelde stier in het buitenland komt in Nederland voor beengebruik rond 97 punten uit, dus onder de 100. Dus een fokwaarde van 0 of 100 in een ander land is niet 100 in Nederland. De omrekening die door Interbull is vastgesteld is gebaseerd op gerealiseerde cijfers van stieren met dochters in verschillende landen. Deze geeft de beste indicatie waar een stier op uit zal komen. Dit neemt niet weg dat er individuele stieren kunnen zijn die op basis van Nederlandse en Vlaamse dochters hoger of lager scoren dan de omrekening.

De invloed van Interbull is natuurlijk enorm groot. Interbull is echter ook niet alleen maar objectief, de voorzitter van Interbull is Toine Roozen, afgestudeerd aan Wageningen Universiteit en dus een studiegenoot van diverse CRV mensen. Nou wil ik niet beweren dat deze mensen bewust iets fout doen maar wel dat ze deze discussie door dezelfde “Oranje/CRV/Wageningen” gekleurde bril bekijken. In het verhaal staat dat de Nederlandse stieren betere fokwaarden voor benen hebben, is dit echt (nog) zo? Indien afgestudeerden van de Amerikaanse tegenhanger van Wageningen aan het roer van Interbull stonden, kwamen zij dan met dezelfde conclusies? Wanneer je kijkt naar de tchnische committees van Interbull gedurende het laatste decennia en de continue uitwisselingen met medewerkers van CRV en CRV die dan ook weer de data aan Interbull aanlevert dan mag je hier op zijn minst heel kritisch over zijn. Als je het vriendelijk wilt formuleren zou je kunnen zeggen dat er wel eens last kan zijn van vooringenomenheid danwel tunnelvisie. Bepaalde onderbalk kenmerken (en ook steeds meer andere kenmerken) van buitenlandse stieren worden niet meegenomen. Deze stieren worden voor die onderdelen op het gemiddelde gezet. Topstieren fokken is als de tienkamp, als je als tienkamper op bepaalde onderdelen niet mee mag doen en je krijgt daar de gemiddelde hoeveelheid punten doe je aan het eind niet mee om de prijzen. Hoe meer facetten er aan de tienkamp worden toegevoegd en hoe meer punten je kunt halen voor ieder individueel onderdeel hoe lager je uitkomt wanneer je onderdelen mist. Wanneer je dit terug naar deze discussie trekt is het dus in het belang om altijd een aantal eigen punten te beoordelen of data aan toe te voegen. Laten we alsjeblieft niet naief zijn; we praten hier dus over grote commerciele belangen die wel eens tegenover het belang staan van wat is de beste benen stier of de meest efficiente voerefficiente stier van de wereldwijde holstein populatie.

CRV reageert met dit verhaal op uitingen van kritiek van importeurs en fokkers. Echter neemt ze hiermee de frustratie niet weg. Het is in ieders belang dat de omrekeningen serieus genomen kunnen worden: fokkers, importeurs en veehouders, inclusief CRV leden. Ook zij hebben baat bij de beste waardering van genetica uit het buitenland. Dat de Nederlandse stieren voor de nieuwe Nederlandse definitie voor benen gemiddeld beter scoren kan prima zijn. De lage spreiding bij importstieren blijft opmerkelijk. Ook zeer hoge stieren worden naar het gemiddelde gerekend ( bij zeer betrouwbare fokstieren soms zelfs nog door een sterke genomic component) De interbull omrekeningen zijn er al decennia. De kritiek op (vooral) de benen omrekening is pas de afgelopen paar jaar heviger geworden terwijl de fokkerij alleen maar internationaler is geworden. CRV BV gebruikt in haar fokprogramma ook buitenlandse stieren die op papier soms matige benen hebben. Zou ze dat niet erg vinden of toch andere informatie hebben en die ook gebruiken?

REAGEER

Veeteelt stelt het erg op prijs dat je wilt reageren op een bericht. Vul hieronder je volledige naam (voor- en achternaam) en je emailadres in. Je reactie wordt dan meteen geplaatst. Wil je niet elke keer je naam en emailadres invullen? Dan kun je je eenmalig registreren. Zo ontstaat een omgeving waarin iedereen op een respectvolle manier kan reageren in plaats van anoniem afreageren.
You must have Javascript enabled to use this form.